|
|
|
|
|
|
| |
| |
| Merken geschiedenis |
| |
|
|
| |
| MG Cars |
MG stond voor Morris Garages, die in eerste instantie een
dealer was voor Morris en ook eigendom was van William
Morris, en later Lord Nuffield. Toen Cecil Kimber general
manager werd in 1922 begon het bedrijf met aanpassingen aan
de standaard Morris Cowleys zoals het verlagen van het
chassis en het aanbrengen van een meer sportieve
carrosserie.
|
| Geschiedenis |
In 1924 adverteerde Morris Garages met de "MG Special
four-seater Sports" en had het het beroemde achthoekige logo
in gebruik genomen.
Morris Garages ontgroeide zijn onderkomen driemaal voordat
ze verhuisden naar Abingdon in 1929 en werd het bedrijf
hernoemd naar de MG Car Company. Tijdens de eerste jaren
dertig werd de naam MG synoniem met de term "sports car".
Hun auto's werden gepromoot door succesvolle race
wedstrijden. Met name met de 6 cilinder modellen werden
opmerkelijke resultaten behaald. In 1935 verkocht William
Morris al zijn privébedrijven aan Morris Motors.
Puristen zijn niet blij met deze stap omdat in hun ogen MG
nooit meer hetzelfde zou zijn. Minder modellen, minder
racewedstrijden waaraan meegedaan werd en de MG badge die op
niet MG modellen werden geplaatst zoals de Morris Oxford en
1300. Realisten echter geven aan dat zelfs na Kimbers dood
in 1945 betaalbare sportauto's werden gemaakt en verkocht
zoals de TC, MGA, Midget en MGB. De werkelijke doodsteek
kwam volgens hen door het management van British Leyland,
dat de naam in de jaren 70 verkwanselde.
De productie van MG auto's in Abingdon werd gestaakt in
1980. Van 1982 tot 1990 waren de auto's niets anders dan
herlabelde en getunede Maestros, Montegos en Metros. MG
enthousiasten werden in 1992 verblijd met een nieuwe RV8 en
de latere MGF welke meer op de oude leest geschoeid zijn.
In 2005 ging moederbedrijf Rover failliet, waarmee ook het
doek voor MG viel. In 2006 maakte de Chinese autobouwer
Nanjing Automotive Group bekend dat het onder meer de MG TF
weer gaat produceren, in zowel China als het Verenigd
Koninkrijk. Op 29 mei 2006 rolden de eerste geassembleerde
MG TF's weer van de band in Longbridge. De Chinese eigenaren
hebben de betekenis van MG veranderd in Modern Gentleman.
Maar vanwege kritiek is de betekenis terug veranderd naar
Morris Garages.
|
| |
| Triumph Cars |
Triumph is een voormalige autofabrikant die in 1897 werd
opgericht door Siegfried Bettmann en Moritz Schulte. Zij
maakten toen fietsen te Coventry in het toenmalige Verenigd
Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland. Sinds 1984
worden er geen auto's meer gemaakt van het Triumph merk, de
merkrechten zijn sinds 1994 van BMW.
|
| Geschiedenis |
In 1921 kocht Triumph Dawson Car Company op en begon men een
1.9 liter model te produceren dat Triumph Light Car heette.
Tot aan De Grote Depressie in 1929 werden nog enkele andere
modellen gemaakt. Daarna viel de productie volledig stil.
In de jaren '30 werd de naam veranderd in Triumph Motor
Company en in 1934 werd Donald Healey aangesteld als
experimenteel directeur. Deze kocht een Alfa 2.3 en
ontwikkelde daaruit de Alfa/Triumph Dolomite. Tevens werden
de fiets- en motorfietsafdelingen verkocht in 1936 om het
aparte bedrijf Triumph Engineering Company te worden. De
nieuwe eigenaar was Jack Sangster, die ook het merk Ariel
leidde.
In 1939 werd het bedrijf verkocht aan T.W. Ward die Healey
aanstelde als algemeen directeur. Even later kwam de
productie tot een gedwongen stilstand toen de Tweede
Wereldoorlog uitbrak. In de loop van 1944 ging Triumph
failliet.
Na de Tweede Wereldoorlog
De restanten van Triumph werden verkocht aan Standard Motor
Company dat er modellen bouwde onder de naam Standard
Triumph. Later werd dat wederom Triumph.
In 1953 verscheen de TR2 op de markt. Een vooruitstrevende
sportwagen die gevolgd werd door de succesvolle reeks TR3,
TR4, TR5, TR6, TR7 en tenslotte de TR8. Een tweede lijn
sportwagens werd gevormd door de Spitfires en de GT6.
Daarnaast werd er ook nog een luxe sportwagen gemaakt: De 8
cilinder Stag
Naast sportauto's werd er ook een reeks gezinsauto's gebouwd
die bestond uit de modellen; Herald, Vitesse en de 2500
In 1960 fuseerde Triumph met Leyland Motors. In de twee
daaropvolgende decennia bouwde Triumph een reeks, in
potentie, succesvolle wagens, waaronder de geavanceerde
Triumph Dolomite Sprint die reeds in 1973 een 4 cilinder
motor met 16 kleppen had. Helaas waren de Triumph's uit die
tijd onbetrouwbaar door problemen met brandstofinjectie en
lage bouw kwaliteit. Daardoor moest men de verkoop
uiteindelijk staken.
Het einde
Het laatste model van Triumph was de Acclaim uit 1981 die in
een joint venture met het Japanse Honda werd gebouwd. In
1984 verdween de naam Triumph toen het model door de Rover
200 werd vervangen. Die Rover zelf was feitelijk een Honda
Civic met het Rover-embleem.
Momenteel
Momenteel is de merknaam Triumph in het bezit van BMW die
het verkreeg toen het Rover opkocht in 1994. Toen Rover in
2005 weer verkocht werd aan het Phoenix Consortium hield BMW
de naam Triumph.
|
| |
| Austin Healey Cars |
Austin is een Brits automerk van "The Austin Motor Company
Ltd.", Longbridge, Birmingham, England. Het merk fuseerde
met Morris in 1952 tot de British Motor Corporation (BMC)
BMC fuseerde tot British Leyland (BL), welke in 1982 werd
omgevormd tot de Austin-Rover group.
|
| Geschiedenis |
Herbert Austin werd in 1866 geboren in het Britse Little
Missenden (Buckinghamshire) Zijn vader was een eenvoudige
boer. Met een oom trok hij naar Australië waar hij werkte
als leerling in de metaalgieterij. Later ontmoette hij in
Australë Frederick York Wolseley. Wolseley was onder de
indruk van de Brit en leende hem geld. In zijn leerlingjaren
had hij een behoorlijke technische ervaring en ontwikkelde
een tondeuse voor het schapenscheren. Nadat hij daar een
aantal octrooïen op had gekregen ging hij terug naar het
Verenigd Koninkrijk. In Wolseleys fabriek in Birmingham
vervaardigde men scheermachines, werktuigen voor in de
fabriek en fietsen. In 1895 construeerde hij een automobiel,
de eerste Wolseley. Het was min of meer een gemotoriseerde
driewielige fiets. Hij verliet Wolseley en richtte in 1905
de Austin Motor Company op. In 1906 maakte hij 100 auto's
per jaar en in 1914 had hij 2000 werknemers en maakte al
meer dan 1000 auto's per jaar. In 1922 werd de eerste Austin
Seven gemaakt. Deze auto werd in licentie gemaakt door onder
meer het Duitse BMW, het Franse Rosengart, het Japanse
Datsun en het Amerikaanse Bantam. Van 1919 tot 1924 zetelde
Austin in het parlement. Hij kreeg de titel van baron. Sir
Austin kreeg drie kinderen en overleed in 1941.
Na de oorlog bouwde men onder meer de A40 (4 cilinder
1200cc) en A60 (4 cilinder 1622cc), vrij populair in die
tijd. Na de dreigende energiecrisis in 1956 werd Sir Alec
Issigonis gevraagd een nieuwe kleine auto te ontwerpen. Dit
werd de Mini, verkocht bij Austin als de Austin Seven. De
ideeën die bij deze auto werden opgedaan, zoals de
voorwielaandrijving en de dwars geplaatste motor, werden
overgenomen in de grotere Austin 1100, Austin 1800, de Maxi
en later ook de Allegro en Metro. Toen in 1982 van het eens
zo grote British Leyland eigenlijk niets meer over was, en
werd hernoemd in de Austin-Rover group. Austin diende in
deze constructie als "budget"merk, maar aanhoudende
kwaliteitsproblemen deden het merk de das om. De laatste
Austin liep in 1987 van de band. De fabriek in Longbridge
werd tot het faillissement van Rover in 2005 gebruikt, in
latere jaren was het de enige Rover fabriek.
|
| Geproduceerde typen |
* Austin A125 Sheerline
* Austin A135 Princess
* Austin Allegro
* Austin 1100 Glider
* Austin 1800 Balanza
* Austin AS3
* Austin A 30
* Austin A 35
* Austin A 40 Mk II
* Austin A40 Somerset
* Austin A 60 Cambridge
* Austin Champ
* Austin Healey Sprite MK III
* Austin Healey 3000
* Austin K2
* Austin K5
* Austin Maestro
* Austin Metro
* Austin Seven (Mini)
* Austin Seven Cooper (Mini Cooper)
* Austin Seven Cooper "S"
* Austin Vanden Plas Princess 1100
Austin als merknaam stopte in 1987, geen van bovenstaande
auto's wordt nog gemaakt.
Vele van deze zijn in handen van verzamelaars.
|
| |
| Jaguar Cars |
Jaguar Cars is een autofabrikant uit Engeland die zich
toelegt op de productie van luxe auto's. De Ford Motor
Company heeft Jaguar Cars in december 1990 overgenomen, en
het merk - naast Volvo personenauto's, Land Rover en Aston
Martin - ondergebracht in de Premier Automotive Group. In
2007 werd het merk samen met Land Rover ondergebracht bij de
Indiase autofabrikant Tata.
|
| Geschiedenis |
In 1922 richtte William Lyons de 'Swallow Sidecar Company'
op in het Engelse Blackpool. Dit bedrijf hield zich
voornamelijk bezig met de productie van zijspancombinaties
voor motorfietsen.
Vijf jaar later zou de overstap gemaakt worden naar
carrosseriebouw, omdat met de opbouw van een aluminium
carrosserie op het bestaande chassis van de Austin Seven een
grote order werd binnengesleept. Een en ander nam zo'n
vlucht dat William Lyons besloot zijn bedrijf meer centraal
te vestigen, waarna in 1928 een verhuizing volgde naar het
Engelse Coventry.
In de jaren dertig verschenen diverse modellen onder de naam
'Silver Swallow' (onder andere de SS I en de SS II). Het
accent kwam hierbij steeds meer te liggen op snelheid en
luxe.
Met een compleet nieuwe lijn van sedans en sportwagens deed
in 1935 de naam 'Jaguar' voor het eerst zijn intrede. Voor
Jaguar betekende deze periode ook de aanvang in de
autosport. Zo werd in 1936 de RAC Rally gewonnen door een SS
100.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog lag Coventry hevig onder
vuur, en het zou dan ook tot 1948 duren voordat een nieuw
voertuig geïntroduceerd werd. Deze Jaguar Mk V zou echter
een belangrijke rol spelen in de wederopbouw van het merk.
Ten behoeve van een ruimere productiecapaciteit werd in 1960
Daimler ingelijfd in de firma.
Na tal van successen in de autosport met de Jaguar C-type en
Jaguar D-type stelden de heren uit Coventry in 1961 de
legendarische Jaguar E-type voor aan het publiek. Een model
dat in 1966 navolging vond met een ruim 25 cm langere 2+2
versie.
In 1988, drie jaar na het overlijden van William Lyons, won
Jaguar met de Jaguar XJR-9LM de 24 uur van Le Mans. Met aan
het stuur onder anderen de Nederlander Jan Lammers.
|
| Modellen |
* Jaguar Mk 2
* Jaguar Mk V
* Jaguar S
* Jaguar Mk VII
* Jaguar Mk VIII
* Jaguar Mk IX
* Jaguar Mk10
* Jaguar C-type
* Jaguar D-type
* Jaguar E-type
* Jaguar XJ
* Jaguar XJS
* Jaguar X-type
* Jaguar XJR-9LM
* Jaguar XJ220
* XK8/XKR
* Jaguar XK/XKR-series
|
| |
| Porsche Cars |
Porsche (Porsche Automobil Holding SE) is een Duits
fabrikant van sportauto's, opgericht in 1931 door Ferdinand
Porsche, tevens de ontwerper van de eerste Volkswagen. Het
bedrijf is gevestigd in Zuffenhausen, onder de rook van
Stuttgart.
Er is nog een ander bedrijf genaamd Porsche Consulting GmbH.
Dit bedrijf heeft vele jaren haar diensten aangeboden aan
andere autoproducenten. Studebaker, Seat, Lada, Daewoo en
Subaru hebben allen gebruikgemaakt van de kennis van Porsche
voor het ontwikkelen van hun auto's.
Het hoofdkantoor en de fabriek zijn gevestigd in
Zuffenhausen, maar voor de Cayenne en Carrera GT is een
nieuwe fabriek gebouwd in Leipzig. Een gedeelte van de
Boxster productie wordt bij Valmet Automotive in Finland
gedaan.
|
| Geschiedenis |
Voor de eerste Porsche, de Porsche 64 uit 1938, werden veel
onderdelen van de KdF-Wagen gebruikt. De tweede, de Porsche
356 uit 1948, werd in eerste instantie gebouwd in Gmünd,
Oostenrijk, waar het bedrijf naar toe was gevlucht tijdens
de oorlog. Na de productie van 49 auto's, verhuisde het
bedrijf terug naar Zuffenhausen. Veel mensen beschouwen de
356 als de eerste echte Porsche, eenvoudigweg omdat het het
eerste model was dat werd verkocht door het jonge bedrijf.
Ferdinand Porsche werkte met zijn zoon Ferry samen aan het
ontwerp van de 356 maar overleed kort nadat het eerste
prototype was gebouwd. Net als bij de 64 gebruikte de 356
veel onderdelen van de Kever, waaronder de ophanging,
versnellingsbak en de verbrandingsmotor. Gedurende de
productie evolueerde het model en werden veel VW-onderdelen
vervangen door eigen Porsche onderdelen. De laatste modellen
werden voorzien van 100% Porsche ontworpen motorblokken. Het
koetswerk werd ontworpen door Erwin Komenda, die ook het
ontwerp van de Kever op zijn naam heeft staan.
In 1963, na successen in de autosport, lanceerde het bedrijf
de Porsche 911. Weer een luchtgekoelde auto, met de motor
achterin. De motor was dit keer een 6 cilinder boxermotor.
Deze auto, die nog steeds in productie is, is het meest
bekende model van Porsche. Het is succesvol op het circuit,
bij rally's en ook in de verkoopstatistieken. Een goedkoper
alternatief, zelfde carrosserie met de 4 cilinder motor van
de 356, werd verkocht als de Porsche 912. Opmerkelijk detail
is het publieke geheim dat de Porsche 911 en 912
oorspronkelijk de naam 901 respectievelijk 902 hadden
gekregen.Deze namen waren gekozen omdat Porsche in die dagen
nauw samenwerkte met Volkswagen en Porsche een naam wilde
die aansloot bij de nummering van Volkswagen. Toen een van
de Porsche protoypes in 1963 op de autosalon van Parijs
verscheen, werd Porsche gebeld door de juridische afdeling
van Peugeot, met de mededeling dat Peugeot al sinds 1929
drie cijfers met een nul in het midden gebruikte als
type-aanuiding. Als Porsche in Frankrijk auto's wilde
verkopen, moest zij de naam aanpassen. Gezien de grootte van
de Franse markt voor Porsche, heeft zij de naam toen
aangepast. Wel waren er toen al 49 auto's gebouwd van het
type 901. De officiële naamsverandering kwam op 10 november
1964 met chassisnummer 300 049. Opmerkelijk genoeg bleef
Porsche de nul in het midden wel gebruiken voor de race
versies, zonder dat Peugeot hier bezwaar tegen maakte.
Porsche heeft altijd nauwe banden gehad met Volkswagen. Dit
kwam doordat Ferdinand Porsche voor Kraft durch Freude de
KdF-Wagen (de latere Volkswagen Kever) had ontwikkeld. De
eerste Porsches gebruikten veel VW-onderdelen, zoals
hierboven vermeld. In 1969 werkten de twee bedrijven samen
om de VW-Porsche 914 te bouwen. Er kwamen twee motor-types
uit. De 914/4 en de 914/6, waarbij de toevoeging het aantal
cilinders aangaf. De 4-cilinder werd door VW aangeboden en
de 6 cilinder door Porsche. In 1976 ging de samenwerking
verder bij de Porsche 924. De 924 was eigenlijk bedoeld als
VW's top-model sport coupe. VW vroeg Porsche de auto te
ontwerpen op basis van een bestaande Audi 4 cilinder. (Audi
is een onderdeel van de van Volkswagen Group.) Het ontwerp
bestond dus ook uit veel VW en Audi onderdelen, doch was wel
een echt Porsche-ontwerp. VW besloot echter het project te
stoppen vanwege bezorgdheid over de opkomende olie-crisis.
Porsche zag het model echter wel zitten, en kocht het
ontwerp voor 100 miljoen DM, maar besteedde de productie uit
aan de VW-fabriek in Neckarsulm, op beperkte afstand van
Porsche's eigen Stuttgart. Porsche zou dus eigenaar worden
van het ontwerp, maar VW zou hem bouwen. Uiteindelijk bleek
Porsche de zaak goed ingeschat te hebben, want de auto werd
een enorm verkoopsucces en redde Porsche van de financiële
ondergang.
Maar de samenwerking ging verder. De Porsche 944, bedoeld
als opvolger van de 924 was een 100% Porsche-ontwerp, maar
de productie werd vanwege kostenefficiëntie uitbesteed aan
Audi. Uitzondering daarop was het motorblok dat kant en
klaar afgeleverd werd door Porsche en alleen in de
Audi-fabriek gemonteerd hoeft te worden. Voor de 944 Turbo
en Cabriolet, maakte Porsche echter een uitzondering. Deze
had een iets ander chassis en werd daarom volledig in eigen
beheer geproduceerd. Maar ook vandaag is de goede band nog
steeds aanwezig. De Porsche Cayenne, verschenen in 2002,
maakt gebruik van hetzelfde chassis als de VW Touareg. Dit
chassis wordt gebouwd in de Škoda fabriek in Bratislava.
(Naast Audi is ook Škoda in het bezit van Volkswagen.)
Een van de meest opvallende auto's van Porsche is wellicht
de 928. Nog voor de 924 was Porsche echter al van plan af te
stappen van het concept van een luchtgekoelde motor die
achterin zou liggen. In 1971 begon Porsche daarom aan het
ontwerp van een luxe maar daardoor zeer zware Grand Turismo
met een krachtige watergekoelde V8 motor die bovendien
voorin lag. Het was oorspronkelijk zelfs de bedoeling dat
het zelfs de 911 zou moeten vervangen. Toen in 1977, na
vertraging door de opkomende olie-crisis, de eerste 928
gepresenteerd werd (als 1978 model) kreeg hij zelfs de titel
'Auto van het Jaar', hetgeen ongehoord was voor een
sportwagen. Uiteindelijk werd de productie van de 928 pas in
1995 gestopt, waardoor het na de 911 het langst
geproduceerde Porsche model ooit geworden was.
In 2004 werd begonnen met de productie van de Porsche
Carrera GT. In 1996 is de Porsche 911 GT1 in een oplage van
25 stuks geproduceerd, deze kosten toen EUR 790.000 excl.
BPM. Dit is tot aan vandaag de duurste straatversie van
Porsche.
In het najaar van 2009 werd de Porsche Panamera op de markt
gebracht. De auto is een vierdeurscoupé met een lengte van
4,97 meter. Met de komst van de Panamera blijkt de
onderneming een trend af te geven op het gebied van auto's
produceren buiten het gewoonlijke marktsegment om, immers de
Porsche Cayenne zorgde bij zijn komst in de markt ook voor
wat opschudding.
|
| |
| Ford Cars |
Ford Motor Company is een Amerikaans automobielconcern dat
onder andere auto's bouwt onder de eigen naam Ford, die
wereldwijd verkocht worden.
Daarnaast omvat het bedrijf Amerikaanse luxemerk Lincoln.
Het Amerikaanse merk Mercury werd met ingang van 4 januari
2011 opgeheven.
Land Rover en Jaguar behoorden enige tijd tot het concern
maar zijn in 2008 in handen van Tata overgegaan. Ford is
voor 13% eigenaar van het Japanse Mazda. In 2010 was het
concern de op vier na grootste autobouwer ter wereld.
Sinds 2009, nettowinst USD 2,8 miljard, en 2010, nettowinst
USD 6,6 miljard, maakt Ford weer winst na jaren
nettoverlies.
Ford had in 2010 wereldwijd ongeveer 164.000 werknemers en
70 fabrieken. Het bedrijf heeft ruim 24.000
verkooppunten. In 2010 verkocht Ford 5,3 miljoen
voertuigen.
|
| Geschiedenis |
Voorgeschiedenis
Henry Ford werd in 1863 geboren. Hij raakte gefascineerd
door machines toen hij met een stationaire stoommachine
leerde werken. Na verschillende banen in die sector werd hij
in 1891 ingenieur bij de Edison Illuminating Company. Twee
jaar later promoveerde hij daar tot hoofdingenieur. Ford
begon te experimenteren met benzinemotoren en kreeg eind
1893 een ééncilindermotor aan het draaien. Die motor
demonstreerde Henry op het aanrecht in de keuken aan zijn
vrouw Clara. Op 4 juni 1896 voltooide hij zijn eigen
quadricycle waarna hij al meteen de eerste - nachtelijke -
testrit maakte.
In 1899 richtte Ford samen met andere investeerders de
Detroit Automobile Company op. Het bedrijf ging al in 1900
failliet na een geringe autoproductie. Een jaar later kwam
er een doorstart met Henry Ford aan het roer. Hij hernoemde
het bedrijf tot Henry Ford Company. Drie maanden later ging
het bedrijf alweer failliet waarop Ford en verschillende
andere partners vertrokken. Na een nieuwe doorstart zou dat
bedrijf uiteindelijk Cadillac worden.
Het begin
Op 16 juni 1903 richtten Henry Ford en elf investeerders de
Ford Motor Company in Michigan op met een startkapitaal van
$ 28.000. Henry Ford ruilde de plannen van zijn auto en de
17 patenten tegen 255 aandelen en werd hoofdingenieur en
ondervoorzitter. De autoproductie begon in een omgebouwde
wagenfabriek in Detroit met 10 werknemers die een paar
exemplaren per jaar produceerden. Het eerste model was de
Ford Model A die $ 750 kostte. Ford richtte zich op auto's
voor de gewone man tegen betaalbare prijzen. Ford
introduceerde ook de mogelijkheid extra's toe te voegen
tegen meerprijzen. Zo bood hij een optioneel lederen dak aan
voor $ 50. Op 17 augustus 1904 opende Ford zijn eerste
buitenlandse vestiging. Ford Motor Company of Canada begon
in 1905 in een kleine nieuwe fabriek in Walkerville (Ontario)
te produceren.
Reeds in 1906 groeide Ford uit tot de grootste autobouwer
van de Verenigde Staten. Henry Ford werd algemeen directeur
en grootaandeelhouder. Op 1 oktober 1908 introduceerde het
bedrijf de succesvolle Ford Model T. Het model werd eerst in
de fabriek in Piquette gemaakt. In 1910 verhuisde de
productie naar een veel grotere fabriek in Highland Park. De
legendarische Model T zou uiteindelijk één van de
succesvolste automodellen ooit worden. De productie eindigde
pas in 1927 na 15.458.781 wereldwijd gebouwde exemplaren.
Innovatie
Op 7 oktober 1913 werd de fabriek in Highland Park
omgeschakeld naar een bewegende assemblagelijn. Het chassis
werd door werknemers op een slede door de fabriek getrokken.
Later werden de sleden vervangen door karretjes op rails en
mechanisch getrokken. Dit was niet de eerste lopende band,
maar wel de eerste keer dat een volledige fabriek met het
systeem werkte. De productietijd van een chassis daalde
ermee van 12 uur en 30 minuten tot 2 uur en 40 minuten. In
1914 was de totale productietijd van een auto teruggebracht
tot 1 uur en 33 minuten. De vernieuwingen werden echter niet
door iedereen geapprecieerd en Ford had een hoog
personeelsverloop.
Op 5 januari 1914 loste Ford het probleem van het
personeelsverloop op door de lonen te verdubbelen tot $ 5
per dag (hierover bestaan ook andere verklaringen; zie bv.
Dodge), de diensten met één uur in te korten tot 8 uren, en
de invoer van de 40-urige werkweek. Door die maatregelen
steeg de productiviteit per werknemer en daalde het
personeelsverloop waardoor de kostprijs per auto daalde. Dit
maakte het Ford mogelijk om zijn prijzen steeds verder te
verlagen. Het bedrijf zette ook een netwerk van dealers
(NL)/verdelers (V) op die gebonden waren aan zijn merk.
Tegen het einde van 1913 had Ford een marktaandeel van 50%
in de VS, en in 1918 was de helft van de voertuigen op
Amerikaanse wegen een Ford Model T. Een groot nadeel van de
Ford T was dat je er niet vooruit een helling mee kon
oprijden, vanwege de slecht geplaatste benzinetank. Tijdens
de Eerste Wereldoorlog diende het Model T ook als basis voor
enkele militaire voertuigen.
Uitbreiding
In 1919 kwam Edsel Ford, Henry Fords zoon en enig kind, aan
het hoofd van het bedrijf. Zijn vader bleef wel bij de
besluitvorming betrokken. Ondertussen verloor Ford
geleidelijk terrein aan General Motors. GM en buitenlandse
merken hadden modernere en luxere modellen in de aanbieding
dan de uit 1908 stammende Model T van Ford. Ford had een
modern productieproces maar een conservatief management dat
de vraag naar duurdere luxe modellen negeerde. Terwijl Ford
uitsluitend de goedkope T aanbood, had GM een auto in elke
prijsklasse. Bovendsien konden klanten de duurdere modellen
ook op krediet kopen. Ford wees die vorm van financiering
aanvankelijk af omdat die slecht zou zijn voor de klant en
uiteindelijk zelfs de hele economie kon schaden. Vanaf
december 1927 werd krediet toch mogelijk bij aankoop van een
Ford Model A. De tweede Model A (de eerste dateerde van
1903) werd op 2 december 1927 gelanceerd als opvolger van de
Model T. De fabrieken van die laatste hadden 7 maanden
stilgelegen voor de conversie. De A werd uiteindelijk een
succes en tot 1932 werden zo'n 5 miljoen exemplaren
gebouwd.
In 1922 nam Ford de Lincoln Motor Company over om toch een
plek te veroveren in de markt van luxeauto's. Dat was
Lincoln zelf daarvoor overigens nog niet gelukt. In 1921 was
de fabriek met de eerste Lincoln met V8 motor gekomen, die
het voor die tijd forse bedrag van $ 4600 moest kosten
(tegen circa $ 300 voor een Ford). Als gevolg van de
economische recessie die toen heerste, kwam de verkoop niet
van de grond. Henry Ford zag wat in het bedrijf en nam het
voor $ 5 miljoen over. De belangrijkste concurrent van
Lincoln was Cadillac. Hiermee concurreerde het ook voor de
levering van presidentiële limousines in de VS. In 1939
richtte Ford zelf het merk Mercury op om ook een
middenklasse auto te kunnen leveren. De leiding over de
Lincoln-fabriek gaf Henry aan Edsel, zodat ze elkaar niet zo
voor de voeten liepen.
De Tweede Wereldoorlog
Toen de Verenigde Staten de Europese geallieerde landen
begonnen te steunen tegen Nazi-Duitsland verwees president
Roosevelt naar Detroit als het arsenaal van de democratie.
Hiermee doelde hij op de vele autofabrieken in die stad die
omgebouwd werden tot wapenfabrieken. Zowat alles, van
kanonnen en tanks tot vliegtuigen, werd er gemaakt.
Als pacifist zag Henry Ford oorlog als tijdverlies en hij
wilde ook geen winst maken door eraan mee te werken. Dat
veranderde pas met de Japanse aanval op Pearl Harbor van 7
december 1941.
Op 1 maart 1941 begon Ford met de productie van Jeeps voor
het Amerikaanse leger in zijn River Rouge-fabriek. De
civiele productie bleef daarnaast nog gewoon verder gaan tot
1 februari 1942. Daarna schakelde het bedrijf volledig over
op oorlogsproductie.
Begin 1943 stierf Edsel Ford aan maagkanker, waarop Henry
Ford opnieuw directeur werd.
Vanaf augustus 1943 begon Ford ook met de massaproductie van
de B-24, een vliegtuig van Consolidated Aircraft, dat één
exemplaar per dag kon bouwen in een vliegtuigfabriek. Ford
bouwde er één per uur en op het hoogtepunt 600 per maand in
diensten van 24 uur. Speciaal hiervoor werd de Willow
Run-fabriek gebouwd die momenteel in handen van General
Motors is.
De oorlogsproductie liep tot 28 juni 1945 en op 3 juli van
dat jaar werd de civiele productie hervat.[13] Ford had op
dat moment 287.000 Jeeps, 8685 B-24 Liberator bommenwerpers
en 5700 vliegtuigmotoren geproduceerd.
Na de Tweede Wereldoorlog
In 1945 werd Henry Fords kleinzoon, Henry Ford II, de nieuwe
directeur. Henry I was slechts even directeur geweest omdat
Edsel stierf in 1943 terwijl Henry II in de oorlog vocht.
Henry Ford I stierf op 7 april 1947. Op 9 november 1960 werd
Henry Ford II CEO en werd zijn directeurspositie overgenomen
door Robert McNamara. Vijf weken later werd die door de net
verkozen president John F. Kennedy aangesteld als hoofd van
het ministerie van defensie. McNamara was de eerste
directeur van buiten de Ford familie. Hij was voor een groot
deel verantwoordelijk voor Fords uitbreiding en succes in de
naoorlogse periode.
Begin jaren '50 had Ford nog steeds zo'n 43% van de
Amerikaanse automarkt in handen. In de midden- en topklasse,
waarin respectievelijk de Mercury en Lincoln zich bevonden,
had Ford een aandeel van slechts 13%. Henry Ford II bedacht
dat Ford een nieuw topmodel nodig had. Op 7 april 1955 werd
het plan daartoe, dat de toepasselijke naam The Big Plan
kreeg, goedgekeurd. De nieuwe auto kreeg de voorlopige naam
E-Car. De divisie Special Products werd opgericht om hem te
bouwen. Niet veel later kreeg de auto zijn definitieve naam
Edsel, ter ere van Henry Fords overleden zoon. Terwijl de
Edsel in volle ontwikkeling was kregen Fords modellen voor
1956 een aantal nieuwigheden waaronder de eerste
veiligheidsgordel.
De Edsel werd uiteindelijk gelanceerd op 4 september 1957.
Net op dat moment verkeerde de Amerikaanse economie in een
recessie. De uitrusting van de auto werd door Consumer
Reports bovendien omschreven als niet meer dan gadgets en de
wegligging werd als zeer slecht ervaren. De Edsel werd
nauwelijks verkocht en werd in november 1960 van de markt
gehaald. Ford verloor zo'n $ 350 miljoen (in toenmalige
geldwaarde) aan het project.
De beursgang
Op 17 januari 1956 deed Henry Ford II wat zijn grootvader
nooit had willen doen. Hij bracht Ford naar de beurs. 10,2
miljoen aandelen kwamen op de markt en brachten meer dan $
600 miljoen op. Ongeveer 8% van de aandelen was gereserveerd
voor individuele investeerders. In één klap had Ford zo'n
350.000 nieuwe eigenaars. De familie Ford bleef ongeveer 40%
van de aandelen in handen houden.
Ford kwam de mislukking van de Edsel weer te boven met de
introductie van de compacte Ford Falcon in 1960 en de
intussen legendarische Ford Mustang in 1964. In 1967 werden
de Europese afdelingen in Duitsland en het Verenigd
Koninkrijk - Ford Frankrijk was in 1954 reeds verkocht aan
Simca - samengevoegd tot Ford of Europe. De verschillende
Europese afdelingen maakten tot dan hun eigen modellen. Met
de introductie van de Ford Escort in 1968 veranderde dit.
De eerste samenwerking van Ford met het Japanse Mazda kwam
al in 1969 tot uiting in een joint-venture voor de productie
van automatische versnellingsbakken. In 1979 nam Ford
een belang van 25% in het Japanse merk. Beide bedrijven
begonnen met samenwerking op verschillende vlakken,
waaronder de productie van modellen in elkaars fabrieken en
de bouw van gezamenlijke modellen. In 1996 verhoogde Ford
zijn aandeel in Mazda tot 33,4%.
Achteruitgang
De jaren '70 begonnen goed voor Ford. In 1970 realiseerde
het bedrijf een recordomzet van $ 15 miljard. Ondertussen
begonnen geïmporteerde merken terrein te winnen. Europese en
vooral Japanse kleine auto's wonnen steeds meer aan
populariteit op de grote Amerikaanse. Zeker na de oliecrisis
van 1973 werd dit een trend.
Ford wilde daarom ook een kleine auto. Dat model, de Ford
Pinto, werd in 1971 geïntroduceerd. De Pinto begon heel
sterk, tot bleek dat bij een aanrijding aan de achterzijde
de benzinetank kon ontploffen. Ford had de goedkope Pinto zo
snel op de markt willen brengen dat het probleem niet was
opgelost. De auto werd bekend als Amerika's dodelijkste auto
(door Mother Jones magazine) en in 1978 riep Ford 1,5
miljoen Pinto's terug naar de fabriek. De productie van het
model werd in 1980 gestopt.
Intussen was het tij allang gekeerd voor Ford. In 1982
maakte het bedrijf $ 1,5 miljard verlies. Daarop verbeterde
de economie weer en in 1984 kon Ford het tij opnieuw keren
met een winst van $ 2,9 miljard. In 1986 behaalde het
bedrijf met $ 3,3 miljard winst voor het eerst sinds 1924
betere resultaten dan grote concurrent General Motors.
Toch kwam die ommekeer niet vanzelf. Ford had zichzelf een
nieuwe filosofie van kwaliteit aangemeten met de slogan
quality is job one. Tussen 1980 en 1987 werden 15 fabrieken,
waaronder drie Noord-Amerikaanse assemblagefabrieken,
gesloten en gingen 50.000 banen verloren. Ford kwam ook met
een nieuwe stijl met afgeronde vormen waarvan de Ford Taurus
uit 1986 de eerste vrucht was. Die Taurus staat ook als een
mijlpaal in de Amerikaanse auto-industrie als de eerste
Amerikaanse wereldauto. De productie werd in 2006 beëindigd
na meer dan 7.000.000 exemplaren.
Nieuwe merken
In 1985 lanceerde Ford het nieuwe merk Merkur in een nieuwe
poging om Europese modellen te verkopen op de Amerikaanse
markt. Dat was in de jaren 1970 al geprobeerd - en gelukt -
met de Ford Capri. Het woord Merkur is het Duitse woord voor
Mercurius en de auto's werden geassembleerd door Ford Europa
in Duitsland. Het merk heeft slechts twee modellen verkocht
in Noord-Amerika: de Merkur XR4Ti, - in Europa de Ford
Sierra - en de Merkur Scorpio (Ford Scorpio). Beide modellen
waren zeer succesvol op de Europese markt maar werden in
Amerika slecht verkocht. Merkur werd in 1989 weer stopgezet.
Voor het falen worden verschillende redenen aangegeven: de
moeilijk uitspreekbare naam - de reclamemakers drongen aan
op het gebruik van de correcte Duitse uitspraak merkoer -,
de in Amerika ongewone vormgeving van de auto's en de
wisselkoersschommelingen tussen Duitsland en de VS.
In 1987 nam Ford een meerderheidsbelang in het Britse
sportwagenmerk Aston Martin. Daarmee werd niet bepaald een
winstmaker in huis gehaald, maar wel een prestigemerk. Aston
Martin was in het verleden al drie keer failliet gegaan en
produceerde in 1992 bijvoorbeeld slechts 42 auto's. In 1994
werd Ford volledig eigenaar en daarna begon het de goede
kant op te gaan. In 2005 werden 4400 exemplaren verkocht en
werd voor het eerst in zo'n 40 jaar winst gemaakt. Het merk
wil uiteindelijk aan 5000 stuks per jaar komen. Toch werd
Aston Martin in 2006 te koop gezet om Fords rode cijfers te
compenseren.
In 1989 nam Ford Jaguar - nog een Brits prestigemerk - over.
Ford liet het hele bedrijf doorlichten en het hele gamma
werd herzien. De productiekwaliteit, die de voorgaande jaren
niet al te best was geweest, begon ook te verbeteren. Onder
andere bij het vlaggenschip, de XJ, was dit te zien.
Desondanks heeft Jaguar sinds de overname nooit winst
gemaakt en het is eind 2007 weer van de hand gedaan.
Recent
Op 30 december 1987 nam de Park Ridge Corporation, een
bedrijf opgericht door Ford, het autoverhuurbedrijf The
Hertz Corporation over. In 1993 fuseerden die twee en een
jaar later werd Hertz overgenomen door Ford dat 54% in
handen kreeg. In 1997 bracht Ford 19% van Hertz naar de
beurs. In maart 2001 werden 18,5% van die aandelen terug
gekocht. In december 2005 werd Hertz voor $ 5,6
miljard (€ 4,4 miljard) verkocht aan een groep Amerikaanse
investeringsmaatschappijen. Met inbegrip van een
schuldenberg van $ 9,4 miljard (€ 7,4 miljard) is de verkoop
$ 15 miljard (€ 11,8 miljard) waard. Ford wilde met de
verkoop geld in het laatje brengen en een
niet-kernactiviteit afstoten.
Begin jaren '90 stond Ford ook aan de basis van de Sports
Utility Vehicle. De Ford Explorer uit 1991 was 12 jaar lang
de best verkochte SUV in de VS. Die Explorer was in 2000 het
onderwerp van zwaar gezichtsverlies voor Ford. Er waren al
honderden ongevallen mee gebeurd die Ford weet aan slechte
banden. Onder druk van de massale media-aandacht riep Ford
13 miljoen van die banden, die overigens van Bridgestone
kwamen, terug, wat de autobouwer $ 3 miljard (€ 2,36
miljard) kostte. In mei 2001 liet Bridgestone Ford vallen
als klant. Na een overheidsonderzoek bleken de banden
inderdaad de hoofdoorzaak van de ongevallen te zijn.
Eind jaren '90 waren verschillende autoconcerns, waaronder
GM en FIAT, geïnteresseerd in Volvo. Uiteindelijk won Ford
de strijd en in 1999 nam het de Zweedse autobouwer over voor
$ 6,45 miljard (€ 5 miljard). Dat kon er toen nog af daar
Ford dat jaar nog $ 6,57 miljard of zo'n € 5,17 miljard
winst maakte. Volvo betekende een versterking van Ford in de
markt van luxeauto's en het was de bedoeling dat zou worden
samengewerkt met de andere luxemerken, met name Lincoln en
Jaguar.
In 1994 nam BMW de Rover Group over en nam daarmee ook Land
Rover in huis. In 2000 verkocht het die laatste aan Ford
Motor Company. Het terreinwagenmerk werd in de in 1999
opgerichte Premier Automotive Group ondergebracht en is
sindsdien vrij succesvol geweest.
Op 30 oktober 2001 nam William Clay Ford de positie van CEO
over en had Ford voor het eerst in meer dan 20 jaar weer een
lid van de Ford-familie aan het hoofd.
The Way Forward (De Weg Vooruit)
In het begin van de 21e eeuw ging het financieel niet goed
met Ford. Daarom werd besloten tot een reorganisatie, Bold
Moves (Grote Stappen) genoemd. Deze reorganisatie kreeg de
naam, The Way Forward (De Weg Vooruit). Doelstelling van
deze reorganisatie was het reduceren van vaste kosten. Als
gevolg daarvan werden vele fabrieken gesloten en ook
tienduizenden banen kwamen te vervallen. Door de
kredietcrisis werd dit programma vanaf 2008 versneld. In
2011 bestaat Ford daardoor alleen nog maar uit de merken
Ford en Lincoln. Alle andere merken werden verkocht (Aston
Martin, Jaguar, Land Rover en Volvo), opgeheven (Mercury) of
het belang werd teruggeschroefd (Mazda). Sinds 2009 maakt
Ford weer nettowinst.
|
| Ford Mustang |
De Ford Mustang is een van de meest in het oog springende
modellen van het Amerikaanse autobedrijf Ford. Het eerste
exemplaar rolde op 9 maart 1964 van de productieband en
sindsdien zijn er zeer veel van verkocht. Wat de auto zo
succesvol maakte, was zijn sportieve uiterlijk en zijn lage
prijs: 2300 dollar. De Mustang wordt nu nog steeds
geproduceerd en is in de VS nog steeds zeer populair. Dat
komt omdat zijn prijs vergeleken met soortgelijke auto's,
met circa 20.000 dollar erg laag is.
Ook in Nederland werd de Mustang in de jaren '60 relatief
goed verkocht. De Mustang werd van ongeveer 1965 tot 1967
ook in Nederland geassembleerd, in de Nederlandse
Fordfabriek in Amsterdam, Amsterdam Assembly. Ook het
huidige model Mustang wordt in Nederland verkocht, hoewel
niet volgens de officiële kanalen, Ford Nederland of
bijvoorbeeld Hessing, maar via grijze import.
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|